Foto:  BELGA

Groen licht voor wetsontwerp bestuurlijke handhaving dat lokale besturen beter wapent tegen criminaliteit

De federale regering geeft haar fiat aan een langverwacht wetsontwerp van minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V). Een wet ‘bestuurlijke handhaving’ geeft steden meer slagkracht in de strijd tegen ­onder meer drugscriminaliteit.

Het federale kernkabinet heeft vanmorgen voor een eerste keer zijn fiat gegeven aan een wetsontwerp van minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) dat lokale ­besturen meer slagkracht geeft in de strijd tegen ­ondermijnende criminaliteit, ­zoals de witwas van opbrengsten uit drugs- of ­mensenhandel.

Grote steden zijn al lang vragende partij voor zo’n wet ‘bestuurlijke handhaving’, maar het concept stuit al jaren op verzet van vooral linkse en Franstalige partijen. De kritiek gaat vooral over de scheiding der machten. Lokale besturen krijgen zo als uitvoerende macht de rechtsprekende ­bevoegdheden.

Het ontwerp van Verlindens voorganger Jan Jambon (N-VA) stuitte op bezwaren van de Raad van State en de Gegevensbeschermingsautoriteit. De tekst van Verlinden moet daaraan tegemoetkomen. Haar ontwerp gaat nu langs die genoemde adviesorganen, waarna het opnieuw op het bord van de regering komt en daarna naar het parlement gaat.

Antecedenten van de uitbater

De wet voorziet in de oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen (DIOB). Op basis van ­input van politie en justitie legt zij aan de federale regering voor welke sectoren en activiteiten kwetsbaar zijn als locaties voor ondermijnende ­criminaliteit, zoals kapsalons, restaurants of fitnesscentra.

Die lijst, die goedgekeurd wordt door de ministerraad en jaarlijks geüpdatet wordt, ­kunnen lokale besturen overnemen in een politieverordening. Alle ­inrichtingen binnen die sectoren moeten vervolgens doorgelicht worden, al kunnen er prioriteiten worden toegekend.

De doorlichting door de ­gemeente bestaat uit een onderzoek van de antecedenten van de uitbater. Die integriteitsonderzoeken komen terecht in een ­centraal ­register bij de DIOB. Zo kunnen gemeenten zien of de uitbater niet elders de deur werd ­gewezen. Dat vermijdt dat criminelen gaan ‘shoppen’ langs verschillende gemeenten.

Niet alleen de burgemeester

De gemeente kan beslissen dat er niets aan de hand is, dat er een grondiger onderzoek moet komen of dat er voldoende ­gronden zijn om de vergunning te weigeren of in te trekken. Het onderzoek kan verder gaan dan de ­gemeenten, met informatie van de witwascel, de economische of sociale inspectie of het ­register met fiscale ­schulden.

Een inrichting bannen kan ­alleen als er een aanwijsbaar risico ­bestaat dat de uitbating wordt ­gebruikt om financiële voordelen uit eerder gepleegde feiten te ­benutten, dat de uitbating wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen of dat er strafbare feiten zijn gepleegd om de zaak uit te ­baten. Het gaat dan over terrorisme, witwas, mensenhandel, drugshandel, fiscale en sociale fraude of valsmunterij.

Het integriteitsonderzoek duurt maximaal tachtig dagen. Gemeenten kunnen samenwerkingsverbanden opzetten. Enkel het schepencollege kan tot een sluiting beslissen, niet de burgemeester alleen. Wie gebannen wordt, heeft vijftien dagen de tijd om de beslissing aan te vechten bij de Raad van State.

Magistraten bij de DIOB zullen toezicht houden en de verbinding met ­justitie garanderen. De wet voorziet ook in twee ­instrumenten voor lokale besturen: de bestuurlijke verzegeling en de bestuurlijke dwangsom, wat ertoe moet leiden dat inrichtingen effectief gesloten blijven.

Wist je dat je ook zonder abonnement elke maand 3 betalende  plus-artikels kunt lezen?

Meld je aan en lees gratis ›

Vul je e-mailadres en wachtwoord in

Aangeboden door onze partners
Aangeraden
Niet te missen