camera closecorrect Verwijs ds2 facebook nextprevshare twitter video

Het bezoek Claron McFadden en Gaea Schoeters

‘Wij maken ons leven onmogelijk uit een soort inwendige noodzaak’

Zangeres Claron McFadden volgt al sinds haar twintigste haar stem, schrijfster Gaea Schoeters haar pen. Een libretto voor twee zusters in Amsterdam. ‘Soms overvalt me een verlangen naar normaliteit. Dat duurt dan 3 minuten.’

Door Filip Rogiers en Samira Ataei Foto’s Jan Rosseel

zaterdag 3 september 2022 om 3.25 uur

 

Toen Gaea Schoeters voor het eerst de Operadagen in Rotterdam bezocht, acht jaar geleden, voelde dat onwennig. Romans schrijven, dat kende en kon ze al ruim twee decennia. Maar in het muziektheater en als librettist had ze nog maar net haar eerste stappen gezet, aan de zijde van componiste Annelies Van Parys. ‘Aan het ontbijt zat iedereen zeer ernstig te netwerken. Plots doorbrak een klaterende lach die loden sfeer. Dat bleek Claron McFadden te zijn. Wat een vrouw, wat een brok emotionele energie.’

Hun paden kruisten elkaar nog enkele keren. Het contact was vluchtig, maar toch intuïtief diep. McFadden herkende in Schoeters al snel een zuster in de kunsten, een buitenbeentje zoals zijzelf. ‘Thuis en in de opera noemden ze mij een rare vogel’, zal McFadden straks vertellen. Als twintiger liet ze haar thuisstad Rochester, upstate New York, achter zich en streek ze neer in Nederland. ‘In het begin werd ik vaak uitgelachen omdat ik moderne en oude muziek zong. Niet Wagner, dat was voor de echte zangers.’

‘Ik ben op mijn zeventiende uit het ouderlijke nest gevlogen’, zegt Schoeters. ‘Ik wist van mijn dertiende dat ik lesbisch ben, en dus wilde ik op kot in de grote stad, waar ik die community zou leren kennen. Mijn ouders hadden het er moeilijk mee. Ze hadden niets tegen homoseksualiteit, mijn moeder gaf zedenleer en mijn vader was als socialistisch ­politicus ook van de wereld, maar ze vreesden wel de gevolgen voor mijn toekomst­kansen.’

Crazy nut

Claron McFadden reist van Londen naar Aix-en-Provence en van Salzburg naar Sydney, maar thuis­komen doet ze al veertig jaar in Amsterdam. Oude Schans, één hoog. De deur staat al open als Schoeters de draaitrap op klimt en de schoenen uitdoet op de deurmat die als een visitekaartje leest: A wild ­wacky wonderful woman lives here. De eerste noten waaien ons al op de trap toe. McFadden zingt of neuriet overal en altijd, op straat of in de keuken. Ze lijkt zich er zelf niet van bewust, het is de soundtrack bij haar gedachten, die net als haar repertoire alle ­tonen, kleuren, ritmes omspannen. Jazz, Bach, Cage.

We verbrodden het warme welkom door haar al in de eerste vraag verkeerdelijk een ‘operazangeres’ te noemen. ‘O, is dit hoe je mij wilt neerzetten? Ik noem mezelf vocalist, zanger. De stem is mijn instrument. Die volg ik, al van toen ik een kind was. ­Anders dan een cellist of violist kan ik mijn instrument ook nooit opzijzetten. Ik heb het altijd bij me. Ik hoor het of ik de avond voordien gedronken of ­geweend heb, of ik verliefd ben of iemand het net heeft uitgemaakt. Ik neig naar melancholie.’

Oké, geen operazangeres. Wel omschreef u uzelf ooit als een ‘curiously crazy nut’.

McFadden:Did I? (bulderlach) Het klopt wel. De mensen met wie ik werk, worden er soms horendol van. Ze willen meteen in de muziek vliegen, maar ik wil eerst naar de kroeg of gaan wandelen om te praten. Ik wil weten wie je bent, ik wil weten wat jij doet en of je het mij kunt leren. Ik stel vragen. De noten op papier zijn nog maar het begin, wat wilde de ­componist ermee zeggen? Ik wil de code kennen, de logica, zijn of haar muze.’

U leest vooraf elke letter over een componist voor u de eerste noot zingt?

McFadden: ‘Nou, ik praat er liever mee. Als hij, ­zelden zij, nog leeft, natuurlijk.’

Schoeters: ‘Ook mijn werk vertrekt altijd van nieuwsgierigheid. Vragen opwerpen, geen antwoorden ­geven. Daarmee trigger je een publiek veel meer. Stelligheid schept verzet, vragen kunnen leiden tot verandering. Zoals Claron tot operazangeres, word ik vaak gereduceerd tot activist. Mijn werk is geëngageerd, maar ik zou het niet activistisch noemen. Activisme vertrekt van zekerheden, kunst van twijfel.’

In uw roman Trofee behandelt u thema’s zoals de trofeejacht door witte mensen in Afrika, de verhouding tussen Noord en Zuid of klimaatverandering. Niets in dat boek is eenduidig. Op elke pagina staan nuances die …

Schoeters: ‘… je niet op Twitter of Facebook vindt? Ja. Ik blijf de laatste tijd vaker weg van sociale ­media. Het register daar straalt negatief af op je ­artistieke werk. Ik schrijf graag over zaken die ik vooraf niet ken, zoals over de jacht. Ik creëer personages met wie ik in het echte leven na tien minuten ruzie zou maken, maar die ik met wat Kae Tempest radicale empathie noemt tracht te doorgronden. Het is zoveel makkelijker om mensen te begrijpen die denken ­zoals jij. Ik wil net begrijpen wat heel ver van me af staat. Daarnaast is spelen met vorm heel ­belangrijk, minstens zo belangrijk als inhoud. ­Muziektheater en opera zijn dan weer een oefening in cocreatie. Een ­libretto schrijf je niet als een roman.’

McFadden: ‘Ik zong in De mensheid, muziektheater van Arnon Grunberg, Kris Defoort en Josse De Pauw op basis van Grunbergs essay “De mensheid zij ­geprezen”. Josse begon de tekst van Arnon aan te passen. Hij zei: “Er zijn teksten die gemaakt zijn om gelezen te worden en er zijn teksten die gemaakt zijn om gehoord te worden.” Neem jij het persoonlijk als er in je teksten wordt geschrapt?’

Schoeters: ‘In teksttheater wel, in muziektheater niet. De muziek kan iets zeggen wat dan niet meer ­in woorden moet. Met Annelies zoek ik samen van in het begin naar de vorm. Zij heeft een architectuur, een kleur of een klank in haar hoofd, ik doe suggesties en zo gaat dat heen en weer. Dat is niet zo ­gebruikelijk in opera, meestal lever je het libretto af en dan schrapt de componist driekwart. (lacht)

McFadden: ‘Ik ben een controlefreak, maar wel op een charmante manier, of dat hoop ik toch. Mensen zeggen weleens: “O, Claron, jij gooit er maar van ­alles uit. Jazz, klassiek … je doet maar wat.” Onzin. Ik ben de meest gecontroleerde zanger die er is. Ik heb een heel duidelijk kader, structuur nodig, maar daarbinnen kan veel.’

Schoeters: ‘Ik krijg dat ook te horen, dat ik me moet focussen, concentreren op één discipline. Wat wil je nu? Literatuur? Opera? Toneel? Elke kunstenaar moet in een hokje, terwijl die kruisbestuiving juist de essentie is van wat ik doe. Alsof verdieping alleen maar verticaal kan, niet horizontaal. Het is een zeer mannelijke manier van denken, hetzelfde soort utilitarisme waarmee we kunst uit het onderwijs halen, omdat het niet rechtstreeks ergens toe leidt en zogezegd de verdieping in nuttiger vakken en de ambitie in de weg zou staan. Niemand is verdorie ambitieuzer dan een scheppende kunstenaar. Je wordt ook een ander soort manager en econoom als je kunst hebt meegekregen.’

Jullie zijn beiden zeer gul, genereus. Gaea houdt van lange zinnen.

Schoeters: ‘Fuck de zuinige zinnetjes! Het is een pest. Ik ben blij dat Trofee nu op de leeslijst staat in het middelbaar, maar hoe vaak je hoort dat boeken niet te oud of te dik mogen zijn of te ver van de leefwereld mogen staan. Stop met kinderen te onderschatten. Zijn we in twee generaties tijd zo gedegenereerd dat je vroeger op je veertiende Tsjechov kon ­lezen en nu niet meer? We ontnemen kinderen vooraf en in hun plaats de kans om dat te doen.’

McFadden: ‘Precies, terwijl al die literatuur en ook die muziek nochtans in essentie altijd om dezelfde, herkenbare emoties draaien. Misschien dragen we andere kleren, maar verliefdheid en verdriet waren er duizend jaar geleden ook al.’

Schoeters: ‘Jonge kunstenaars vandaag schrijven vaak erg dicht bij zichzelf, activistisch en voor het hier en nu. Dat wil ik net niet, ik wil iets schrijven dat ook overmorgen nog geldig is. Geëngageerd, maar in de ruime zin.’

Zoals Tsjechov, van 7 tot 77?

Schoeters: ‘Of zoals de 17de-eeuwse madrigalen van Adriano Banchieri die opduiken in Notwehr (de nieuwe muziektheaterproductie van Van Parys en Schoeters, red.), die kun je perfect op vandaag betrekken. Thuis hadden we een enorme bibliotheek en ik mocht van mijn ouders alles lezen, op voorwaarde dat ik het in de originele taal deed. Je snapt de helft niet, maar daar heb je als kind geen last van. Integendeel, soms worden zogenaamd moeilijke boeken nog lastiger om te lezen naarmate je ouder wordt omdat je dan dénkt dat je alles moet snappen. Als kind neem je gewoon mee wat je aanspreekt en van de rest lig je niet wakker.’

McFadden: ‘Je trekt zulke ogen, je steekt er altijd iets van op en elke mens kan erbij. Met klassiek is het net zo. Ik weet niet hoe het gekomen is dat klassiek iets elitairs is geworden. Misschien toen het echt naar de concertzalen ging? (zucht) Laatst werd ik ­gevraagd voor een workshop met kinderen tussen zes en tien in het Muziekgebouw. Het verloop was netjes uitgestippeld. “Dit is wat de kinderen leuk vinden. Dit is wat jij moet doen.” Deed ik natuurlijk lekker niet. Ik wilde die kinderen meenemen naar andere werelden, puur met klank en stem. We maakten samen een Symphonie emotionelle. We speelden, tot jolijt van de technicus, met kleuren op de muur. Geel, dat was de zon, vreugde, dat hoorde je zo (ze zingt, scherzo). En dit (lamento) is tristesse. En ten slotte heb je ook rood, woede. De kinderen gingen uit de bol. “Hoe krijg je ze nu weer stil?”, jammerde de organisatrice. Laat me maar doen, dacht ik. Ik zong Barbara Strozzi, legde uit dat het over liefde ging en als je dit hoort, zei ik (zingt opnieuw) weet je dat die persoon verdrietig is. Een langgerekte noot, ze werden muisstil. Daarna deed ik Aria van John ­Cage en de kinderen deden mee. (bulderlach)’

Leert u er zelf ook iets van?

McFadden: ‘Op het eind kwam een meisje naar mij toe en vroeg: hoe ontstaat lucht? Ik stond met mijn mond vol tanden. Had ik nu net in een meisjes­lichaam de oudste ziel op aarde ontmoet, die mij de meest existentiële vraag stelde? Of wilde ze gewoon vragen hoe ik ademde? Ze was al weg voor ik kon antwoorden. Ik hoop maar dat ik die kinderen getriggerd heb om zelf verder te gaan.’

Schoeters: ‘En dat de zogenaamde verbreders hen daarbij niet hinderen. We ontzeggen kinderen de ­mogelijkheid om iets te ontdekken vanuit een spontaniteit die ze tien jaar later niet meer hebben. Laat een kind naar atonale muziek luisteren en het vindt daar niets raars aan.’

Er schuilt een goede conservatief in u.

Schoeters: ‘Ik bén een goede conservatief. Af en toe schrik ik me dood van de overeenkomsten tussen mij en Mia Doornaert. (lacht) Je bouwt altijd ergens op, je kunt je maar tegen iets afzetten als je weet wat er was. Complexiteit verdedigen vind ik vandaag trouwens iets progressiefs.’

Roze peignoir

Wat er was. McFaddens ouders waren kinderen van boeren in South Carolina. Zwart. ‘In het zuiden vind ik alleen New Orleans interessant, de mengeling van zwart, Europees, Frans, Amerikaans. South Caro­lina?’ Ze schudt het hoofd. ‘De stad Charleston is de top van een nasty piramide. Alle vreselijke dingen komen van daar, de slavernij, de segregatie.’

Ze verhuisden naar Rochester. Voor hun kinderen zetten ze een sociale ladder klaar. Claron bleef op ­elke trede verwonderd om zich heen staren. Nieuwsgierig naar iets anders. ‘Er huisden twee culturen in mij. De zwarte en de Amerikaanse, de cultuur van … wacht.’ Ze zegt het met keelklanken in plaats van woorden. Je hoort er meteen een drukke metro, sissende hamburgers, shoppingstress in. ‘Ik behoorde tot geen van beide. Ik voelde me sterk aangetrokken tot Europeanen, ook al kende ik ze niet. Ik ging naar arty-farty films. Ingmar Bergman, Federico Fellini. Een heel andere wereld dan Hollywoodfilms en ­anderzijds de zwarte radio- en tv-programma’s die ik thuis zag en hoorde. Ik was ergens anders.’

Schoeters: ‘Mijn ouders namen mij mee naar films voor 16+. Ik wist dat ik schrijver wilde worden na het zien van Henry & June, over de driehoeksverhouding van Anaïs Nin, Henry Miller en zijn vrouw June. Dat was dus wat het betekende schrijver te zijn? Omringd door mooie vrouwen en af en toe een halfuurtje als bezeten op een typemachine rammen. (lacht)’

En, is het zo’n beetje geworden wat je dacht?

Schoeters: ‘Toen ik mijn moeder vertelde dat ik schrijver wilde worden, zei ze: “Je gaat eindigen in een roze peignoir, met een fles whisky bezopen in een hoek.” Mijn ouders waren niet tegen kunst, integendeel, ze namen ze gulzig tot zich, maar om zelf kunst te máken of Studio Herman Teirlinck te doen? Hun dochter? Nee, dat was een brug te ver. Mijn moeder is intussen behalve trots ook gerustgesteld. Ze ziet dat ik niet onder een brug moet slapen en netjes mijn belastingen invul. Was dat bij jou ook zo: “O-oh, komt het wel goed met ons Claron?”’

McFadden: ‘Ze wilden vooral dat ik het beste onderwijs zou krijgen. Ik las veel, ik was erg nieuwsgierig en dat vonden ze helemaal goed, het zou mij wapenen om te overleven in Amerika. Er was wel muziek bij ons thuis, mijn vader had een prachtige stem, op zondag kwamen tantes en ooms en werden er gospels gezongen. Muziek kon, als je er tenminste je job van maakte als lesgever.’

Schoeters: ‘Maar de baseline was: don’t be an artist?’

McFadden: ‘Exact. Het heeft lang geduurd voor ze begrepen waar ik mee bezig was. Ook nog toen ik in Amerika concerteerde en zij kwamen kijken. Ik mocht ze mijn cd tonen, een lovende recensie uit The New York Times, ze vonden het prima, maar vroegen toch: are you okay? Op een dag sloeg de bliksem in, ze reden van Rochester naar South Carolina, zestien uur in de auto, en plots hoorden ze mijn stem op de radio. Plots was het écht. Ook de rest van mijn familie, die mij eerst uitlachte, zag mij plots op tv. In geen tijd stonden alle telefoons in de familie roodgloeiend: Claron is on cable!

Wat was uw Henry & June-moment?

McFadden: ‘Ik was acht jaar en ik hoorde Bach. OMG. (ze sluit de ogen, Bach komt, door haar stem, in de kamer) Ik werd meegevoerd naar een andere ­dimensie. Hoe vier basnoten je hele leven kunnen veranderen. Wat is Bach? De combinatie van hart en hoofd.’

Je kunt alles maar voor een eerste keer zien of ­horen. Hoe behoud je de bewondering?

McFadden: ‘Het is nog altijd de bron van alles en ­zoveel meer. Ik weet het nog altijd niet precies, wat Bach doet, maar het blijft even adembenemend als toen ik acht was.’

Schoeters: ‘Alleen daarom betreur ik de teloorgang van de kerk. Vroeger hoorde iedereen in zijn leven weleens Bach in de mis. Nu kun je achttien worden zonder ooit Bach te hebben gehoord.’

Topsporters

Bach bracht McFadden naar Nederland. Op haar 21ste kon ze met een beurs van de Rotary naar het buitenland. Ze moest vijf landen opgeven. ‘Ik gaf drie scholen in Londen op’, lacht ze. ‘Daar moest ik zijn voor de oude muziek. Maar een van de voorwaarden was dat je een andere taal moest leren, dus Londen mocht niet. Toen hoorde ik dat hier op het conservatorium een van de grootste Bach-experts lesgaf (Max van Egmond, red.) en zo kwam ik hier terecht.’

Het afscheid van haar ouders was moeilijk. Haar ouders zijn een keer samen op bezoek ­geweest in Amsterdam, haar moeder later nog een keer. Ze stierf kort voor corona. McFadden zat 6.000 kilometer verder alleen op haar appartement. Lamento. De muze is een slokop. Ze eist. ‘Jij kiest haar niet’, zeggen Schoeters en McFadden unisono. ‘Zij kiest jou.’

Het vergt lef om die roeping te volgen. Hoe behoud je dat lef?

Schoeters: ‘Dat gebeurt vanzelf. Soms denk ik: schrijf nu eens een commercieel boek à la manière de … nee, ik noem geen namen, maar na tien pagina’s merk ik dat ik toch weer bij mezelf uitkom. Hoeveel of hoe weinig geld het ook opbrengt, I don’t give a fuck, ik kan er niet onderuit. Daarom sluit ik ook, ­behalve in mijn tv-scenario’s, geen compromissen. Ik luister naar een steengoede redacteur en naar componisten en performers, maar niet naar het geld of naar het applaus. Ik ben geen pleaser.’

McFadden: ‘Soms zit ik te huilen naast mijn koffer. Moet ik nu weer weg? Maar het is inderdaad geen keuze. It’s bigger than me. Hier ben ik, Claron, en de kunst is mijn partner, mijn soulmate, mijn beste vriend. Het zou heel moeilijk zijn voor iemand om die plek in te nemen.’

Schoeters: ‘Niemand legt het je op, het is een soort inwendige noodzaak die maakt dat we ons eigen ­leven voltijds nagenoeg onmogelijk maken. Is het voor jou niet nog zwaarder? Jij moet er dat voortdurende reizen en het hele circus rond de muziek bij ­nemen. Familie, gezin, huis, hond? Vergeet het.’

McFadden:(knikt) We hebben pogingen gedaan.’

Schoeters: ‘Soms overvalt me een ontzettend sterk verlangen naar normaliteit. Dat duurt dan 3 minuten.’

Als het geen keuze is en uw leven hangt ervan af, maakt dat niet ook zeer kwetsbaar? Zeker voor ­Claron, je hebt maar één stem?

Schoeters: ‘Dat vroeg ik me ook af. Een sopraan is als een topsporter met een korte carrière.’

McFadden: ‘Ik weet het. Ik werk tegenwoordig met mensen die mijn kleinkinderen kunnen zijn. Ik ben nu 61, maar ik maakte me meer zorgen toen ik 40 werd en een huis wilde kopen. Veel collega’s waren al met pensioen, ze zongen niet meer of ze gingen les­geven. Ik ging raad vragen aan mijn docent in Berlijn. “Just buy that house!”, zei die. Een cello of ­viool blijft het tot je laatste snik doen, je stem niet.’

Schoeters: ‘Dat maakt vocale muziek voor mij net ook zo aantrekkelijk. Het is fysiek. Het komt uit het lichaam en reist naar een lichaam. Ik werd vroeger ook altijd heel erg verliefd op zangers.’

McFadden: ‘Er is één soort muziek waar ik gek van word: door artificiële intelligentie gegenereerde ­vocale muziek. Vreselijk. Ik voel me erdoor buiten­gesloten.’

Schoeters: ‘Als ik jou hoor zingen, voel ik dat het vanuit een soort vrijheid, echtheid, komt. Het is meer dan de vraag of deze of gene noot op de juiste plek staat, je communiceert een artistieke intentie.’

McFadden: ‘Jij snapt mij helemaal. Kom, we zijn klaar, we gaan naar de pub! (lacht)’

De parking

Ze troont ons mee naar Black Gold, koffiebar annex platenzaak, haar stamkroeg. ‘Je mag ook platen meebrengen, die draaien ze dan voor je.’ De bak met elektronica loopt ze voorbij, bij de jazz, soul en funk blijft ze staan. Ze is opgegroeid met Al Green, Sly Stone, The Beatles. ‘In het college zong ik in een funkband. Ik zong ook liedjes van Chaka Khan.’

‘Ain’t nobody?’

McFadden: ‘(kraait het uit) Yes! Zaterdag had ik eindexamen, daarna ging ik naar de club, zong daar tot 3 uur ’s ochtends, sliep een paar uurtjes en de volgende dag zong ik in de kerk het Requiem van Fauré.’

Schoeters: ‘Dat vat het zowat samen, niet? Dat eclectische. Dit is Claron McFadden. (lacht) Ik zag het net ook in je boekenkast: Harry Potter naast James Joyce. Pop is een gat in mijn cultuur. Ik heb die taal nooit geleerd. Ik ben met klassiek opgevoed, er was ook geen tv in huis. Het heeft even geduurd voor ik wist dat Aretha Franklin níét bij Abba zat.’

McFadden: ‘(met grote ogen) Je kent de Pointer Sisters toch?’

Schoeters: ‘Die wel, daarop kun je dansen.’

McFadden wijst met een zuur gezicht naar de ­platenbak met het label Other Music. ‘Wereld­muziek!’ Ze spuwt het woord uit. Het is een van de vier woorden waar ze een hekel aan heeft. De drie ­andere: ‘woke’, ‘diversiteit’ en ‘awesome’.

Wat is er mis met wereldmuziek?

McFadden: ‘Niet met de muziek zelf, maar met de naam. Wat een dedain spreekt daar eigenlijk uit voor muziek die van elders komt. Komt het uit Afrika of uit Azië? Is het recente muziek of past ze in een traditie die duizend jaar oud is? Dondert niet, we steken het allemaal in de zak van de wereldmuziek. Hoe kolonialistisch.’

Schoeters: ‘Het is een beetje zoals Antwerpen en de parking.’

McFadden: ‘Ik hou er niet van, dat ­gedweep in Europa met muziek uit landen waarvan Europa meedogenloos misbruik heeft gemaakt. Dat exotisme, zie eens hoe cool. “Maar we menen het wel goed, hoor!”’

Dat “zie ons deugen” is het enige wat haar, ­ondanks haar coup de foudre toen ze op 3 juli 1982 op Schiphol landde, weleens placht te storen aan ­Nederland. ‘In Amsterdam kon en mocht je zijn wie je was. Maar daaronder zat toch ­altijd iets, nou, ik zal het maar niet calvinistisch ­noemen. Je mocht gek doen, maar dan wel binnen de grenzen van wat wij, Nederlanders, als gek definiëren.’

Vakjes afvinken

Terug in het appartement gaan Schoeters en McFadden in hurkzit ­tegenover elkaar op de sofa zitten. De zangeres is tactiel, haar mooie handen reiken voortdurend naar Schoeters.

Binnenkort verschijnt een pamflet van het collectief FixDit, twaalf vrouwelijke auteurs onder wie uzelf. Over seksisme in de literatuur.

Schoeters:Optimistische woede, heet het. Dat “optimistisch” kwam erbij na rijp en lang beraad, want het moest toch ook een beetje opbouwend klinken? Zelf ben ik niet zo optimistisch. Genderongelijkheid is en blijft een groot probleem, in alle kunsten. Ook ik ben opgevoed met een zuiver mannelijke, witte ­canon. Ik heb ook mijn vader eindelijk kunnen overtuigen om aan zijn gigantische collectie vrouwen ­zoals Carson McCullers en Maya Angelou toe te voegen. Hij vond niet alles goed, zei hij, maar het was toch een aha-erlebnis. (lacht)’

In de poëzie scheren vandaag nochtans veel jonge vrouwen hoge toppen.

Schoeters: ‘Dat is omdat poëzie minder prestigieus is. Toen poëzie hoger werd geacht dan proza, was het ook iets voor mannen, vrouwen schreven romans. Nu proza aan status verliest, zie je eenzelfde verschuiving: het essay is hoofdzakelijk iets voor geniale ­heren. Boeken van vrouwen worden beoordeeld op hun autobiografische gehalte, met mannen wordt er gepraat over stijl en ideeën.’

Het is, schreef u eens, ‘geen fabeltje dat in stand gehouden wordt door verongelijkte hysterische ­feministes’. Was het voor u, Claron, moeilijk als zwarte vrouw?

McFadden: ‘Laat ik diplomatisch zeggen dat er in de opera een zeker traditionalisme heerst. Ik deed ­Mozart op een Mozartfestival in Amerika. De regisseur vroeg welke rollen ik wilde zingen. Drie kwart van de rollen waren dienstmeisjes. Hij: “O nee, dat kunnen we u niet laten zingen!” WTF! Ik mag zelfs het dienstmeisje niet zijn? En wat seksisme betreft, is de dubbele standaard alive-and-kicking.’

Schoeters: ‘In de opera is de sopraan de enige vrouw die ze niet kunnen vervangen door een man.’

McFadden: ‘Er zijn enkele vrouwelijke regisseurs.’

Schoeters: ‘Maar op een paar toppers na krijgen ze kleine zaalproducties met een beperkt budget. Achteraf krijg je dan te horen dat het toch iets minder grandeur heeft, het werk van een vrouw. Doe zelf maar eens de oefening: doorblader eens de programma­brochures van een theaterseizoen. Je ziet wel vrouwen en mensen van kleur op scène, maar check eens de ­namen van de intendanten, de makers, de regisseurs, de scenografen, de dramaturgen. Zelfs emancipatie is geclaimd door mannelijke makers.’

McFadden: ‘Het is zoals met die wereldmuziek: men meent het goed, maar ach.’

Gaea’s Trofee is in zes landen vertaald, maar ­Engelse uitgeverijen willen er niet aan: een witte vrouw over Afrika? Kan niet!

Schoeters: ‘Terwijl ik in het hoofd van een wit personage in Afrika kruip en ik elke letter honderd keer heb afgetoetst met mijn redacteur en proeflezers. Ik vind per definitie elke vorm van censuur in artistieke uitingen verkeerd. Als je alleen nog maar vanuit je ­eigen perspectief mag schrijven, haal je het fundament van de literatuur onderuit. Dat er een maatschappelijke ­reactie komt? Prima. Als een lezer pagina 110 tot 130 uit mijn boek wil scheuren omdat hij of zij zich ­gebelgd voelt, doen! Ik ga er graag over in debat. Maar preventief of zelfcensuur? Dan geef je rechts gelijk. Ik ben blij dat Jamal Ouariachi zo tekeergaat tegen woke, dan hoef ik het niet te doen.’

McFadden: ‘Er wordt soms blind aan box-ticking ­gedaan, men vinkt de criteria netjes af: vrouw, kleur, waardoor het artistieke soms bijzaak lijkt te worden en men ironisch genoeg vaak vrouwen en mensen van kleur tot op het bot beledigt. Ik had voor een productie performers verzameld, een van hen was een zwarte vrouw. Toen ik subsidies aanvroeg, moest ik haar een grotere rol geven. “Uw productie is niet divers ­genoeg.” Dat zeg je tegen mij, een zwarte vrouw, nakomeling van Afrikaans slaven? Ik verfoei dat tokenism.’

U klinkt optimistisch woedend.

McFadden: ‘Schrap dat optimistisch maar.’

Schoeters: ‘Ik krijg ook vaak te horen dat ik “niet zo emotioneel” moet worden. Ik ben pissed, dat is iets heel anders. Maar hé, hebben jullie geen positievere noot om mee af te sluiten?’

Goed dan. Claron, u trad op bij de inhuldiging van Willem-Alexander. Wat hebt u gezongen?

McFadden:Glitter and be gay! (schaterlach) If I’m not pure, at least my jewels are.’

Op 24/9 gaat op de Biënnale van Venetië Notwehr in première, een productie van Annelies Van Parys (muziek), Gaea Schoeters (libretto) en Sjaron Minailo (regie).

Een zomer lang nam iemand bijzonder ons mee naar een bijzonder iemand. Dit is de laatste aflevering.

Aangeraden

Niet te missen