Foto: fred debrock

Bestrijding buxusmot heeft niets te maken met koolmezensterfte

De koolmezensterfte is waarschijnlijk niet het gevolg van de bestrijding van buxusmotrupsen. De dodelijke insecticiden zijn waarschijnlijk afkomstig van diergeneesmiddelen tegen vlooien en teken bij honden en katten.

Een Nederlandse studie toont dat de koolmezensterfte in de stad waarschijnlijk niet het gevolg is van de bestrijding van buxusmotrupsen.

Wel zijn er 26 verschillende pesticiden aangetroffen in dode jonge mezen, waarvan twee derde insecticiden zijn. Deze insecticiden zijn waarschijnlijk voor het grootste deel afkomstig van diergeneesmiddelen tegen vlooien en teken bij honden en katten. Mogelijk zijn jonge mezen in enkele nesten hieraan doodgegaan.

Hoe komen die haren bij mezen terecht?

Mezen gebruiken honden- en kattenharen om hun nest te bekleden. Door de behandeling van honden en katten met diergeneesmiddelen tegen vlooien en teken blijken deze haren insecticiden te bevatten. Op deze manier worden de kale jongen blootgesteld aan insecticiden en nemen ze deze stoffen op.

En de buxusmotbestrijding?

De gevonden concentraties van de pesticiden om de buxusmot te bestrijden, zijn in de meeste gevallen te laag om sterfte van de jonge mezen te hebben veroorzaakt.

Waarom dan toch een hogere mezensterfte in de stad?

Uit eerder onderzoek blijkt een hogere sterfte van koolmeesnestjongen in de stad ten opzichte van natuurgebieden. Dit is te verklaren door een combinatie van een lagere hoeveelheid insecten, een lagere kwaliteit van de insecten en een hogere kans op sterfte van de volwassen dieren.

Het volledige rapport vindt u hier.

De podcasts van De Standaard