Foto: Hollandse Hoogte / Isabel Nabuurs

Ongelijkheid begint al in de kleuterklas

Alle kinderen zo vroeg mogelijk naar de kleuterschool sturen, zoals de Vlaamse overheid wil, volstaat niet om de ongelijkheid weg te werken.

De kleuterschool doet er toe, maar ze doet er niet zoveel toe als je zou verwachten, en ze doet er niet voor elk kind evenveel toe. Want kinderen met een andere thuistaal en kinderen uit een kansarm gezin worden veel minder uitgedaagd om met de juf in gesprek te gaan dan kinderen die beter Nederlands spreken en daardoor mondiger en ­assertiever zijn. Ze krijgen dus veel minder taalstimulansen en ontwikkelingskansen.

Ongelijkheid wordt niet weggewerkt door alle kinderen vroeg naar de kleuterschool te sturen. De ongelijkheid begint dáár al. Dat besluiten onderzoekers van de Vakgroep sociaal werk en sociale pedagogiek in samenwerking met het Steunpunt Diversiteit en Leren (beiden UGent), die in vier instapklassen urenlang gingen observeren wat er gebeurde en wat er door wie en tegen wie gezegd werd.

Instapklassen zijn klasjes waar 2,5-jarigen samenzitten – het zijn kinderen die voor het eerst naar school gaan. Een instapklas groeit naarmate het schooljaar vordert, bij elke instapmoment komen er kleutertjes bij. ‘Gezien die context is het voor kleuterleidsters erg moeilijk om een aanbod te doen dat optimaal is’, zegt professor Michel Vandenbroeck.

Want wat blijkt: de kleuterleiders van de instapklassen hechten erg veel belang aan routine en discipline. ‘In hun taalgebruik domineert de instructietaal: doe dit, doe niet dat. Trek je jas aan, ga zitten, wees stil! Dat is taalgebruik waar een kind zelf maar heel weinig van leert, op gebied van eigen taalontwikkeling.’

Kleuterleidsters gaan wel individueel met een kind in gesprek, tijdens vrije spelmomenten, maar ook dan blijft het gesprek vaak eenrichtingsverkeer. Gesprekjes waarin het twee of meer keer heen en weer ging tussen kind en juf – open vraag/antwoord/feedback – waren zeldzaam.

Behangpapierkinderen

De vaststelling treft alle kinderen in de geobserveerde klassen, maar het zijn de meer mondige kinderen die toch de aandacht van de juf weten te vangen en een gesprekje op gang weten te krijgen.

Nog opvallend: kinderen worden niet aangemoedigd om met elkaar in gesprek te gaan. Het wordt zelfs vaak afgeremd: ze moeten stil op de bank blijven wachten tot iedereen klaar is.

Dat alles maakt dat kinderen die taalzwak zijn, een hele schooldag lang maar weinig kansen krijgen om iets te zeggen. Vandenbroeck noemt ze weleens ‘behangpapierkinderen’.

Het is zeker niet allemaal de schuld van de juffen en meesters. Scholen kunnen er iets aan doen, door de klassen van de allerjongsten kleiner te maken, en die van de oudere kinderen iets groter, zegt Vandenbroeck. Hij pleit ook – niet voor het eerst – voor graadklassen, waarin 2,5-jarigen samenzitten met oudere kleuters, ‘zodat ze van elkaar kunnen leren’.

Ook de Vlaamse overheid draagt een grote verantwoordelijkheid: ‘Als je echt alle ouders wil verplichten om kleuters van jongs af naar school te sturen, moet je hen geven wat je belooft. Dat vraagt kleinere klassen en meer middelen.’