• Het Internationaal Strafhof in Den Haag

Internationaal Strafhof voert overlevingsstrijd

In zestien jaar kon het Internationaal Strafhof in Den Haag amper vier beklaagden veroordelen. De kritiek op de ‘slordige’ en ‘zwakke’ aanklager Fatou Bensouda zwelt aan, ook van voormalig rechter Chris Van den Wyngaert.

‘Alles loopt daar verkeerd – te beginnen met de website.’ In een gesprek met De Standaard haalt Chris Van den Wyngaert hard uit naar het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag, waar zij tot voor kort rechter was.

Volgens haar is de bewijsvoering van de aanklagers erg slordig. Dat verklaart onder meer waarom de Ivoriaanse ex-president Laurent Gbagbo, verdacht van misdaden tegen de mensheid, onlangs is vrijgesproken. ‘De bewijslast is vaak onvoldoende’, zegt Van den Wyngaert. ‘Vaak gaat het om bewijzen van horen zeggen, heel vaak worden zelfs krantenartikelen aangedragen: die kunnen het begin van een onderzoek vormen, maar toch niet het einde.’ Vooral Fatou Bensouda, de Gambiaanse aanklager van het Hof, moet het ontgelden.

De kritiek is opmerkelijk, zeker omdat die van een voormalig rechter van het Internationaal Strafhof komt. Maar het valt op dat het ICC steeds meer tegenwind krijgt omdat het er maar niet in slaagt om belangrijke en machtige beklaagden veroordeeld te krijgen. Niet alleen Laurent Gbagbo is vrijgesproken, ook de Congolese krijgsheer en voormalig vicepresident Jean-Pierre Bemba is op vrije voeten gesteld.

Amerikaanse  anti-campagne

Le Monde stelde deze week zelfs het voortbestaan van het Strafhof ter discussie. ‘Overleeft het ICC het fiasco van het proces-Gbagbo?’, vraagt de Franse krant zich af. ‘De fouten in de bewijsvoering leiden tot een collectieve malaise bij alle juristen en functionarissen van het Hof.’ Aanklager Fatou Bensouda zou volgens de krant te zwak zijn om weerstand te bieden aan bemoeienissen van Frankrijk en sommige Afrikaanse regimes die via het Strafhof vervelende politieke tegenstanders willen neutraliseren.

De huidige morose staat in schril contrast met de optimistische sfeer waarin het Strafhof in 2002 van start ging. Na de bloedige conflicten in de Balkan en Rwanda heerste de overtuiging dat internationale rechtbanken in staat waren om een einde te maken aan situaties van straffeloosheid. Het relatieve succes van ad-hoctribunalen voor ex-Joegoslavië en Rwanda leken dat te bevestigen en dat verklaart waarom 123 staten, waaronder België, het initiatief namen om een permanent Internationaal Strafhof in het leven te roepen dat genocide, misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden moest bestraffen.

Toch kampte het Strafhof van in het begin met een zware structuurfout: machtige spelers als de Verenigde Staten, China en Israël weigerden deel te nemen, waardoor de onderdanen van die landen ook niet vervolgd konden worden. De toenmalige Amerikaanse president George W. Bush ondernam zelfs een ware anti-campagne waarbij kleinere landen onder druk werden gezet om het Strafhof te boycotten. Bush vreesde dat Amerikaanse commandanten en politieke verantwoordelijken vervolgd zouden worden voor oorlogsmisdaden in Afghanistan en Irak en wou elk initiatief in die zin preventief fnuiken.

Neokoloniaal?
Na de verkiezing van Barack Obama zag het er even naar uit dat wereldmacht Amerika en het Internationaal Strafhof langzaam naar elkaar zouden toegroeien. Officieel heette het dat Obama ‘welwillend’ stond tegenover het Hof. Maar met de komst van president Donald Trump sloeg die sympathie om in regelrechte vijandigheid.

Omdat militaire machten als de VS, Israël en China buiten de rechtsbevoegdheid bleven, concentreerden de aanklagers zich op conflicten waaraan geen Amerikanen deelnamen. Vooral Afrikaanse krijgsheren kwamen daarbij in het vizier. Dat verklaart waarom velen het ICC wegzetten als een neokoloniale rechtbank. Een kritiek die de jongste jaren gepareerd werd met het argument dat er ook in niet-Afrikaanse landen vooronderzoeken en onderzoeken geopend werden: Colombia, Afghanistan, Irak, Myanmar, Libië, Oekraïne.

Het neemt niet weg dat de balans van zestien jaar ICC mager is. Van de 28 beklaagden werden er vier veroordeeld: de Malinees Al Mahdi en de Congolezen Thomas Lubanga, Germain Katanga en Jean-Pierre Bemba. Die laatste is alleen veroordeeld voor het omkopen van getuigen, maar werd vrijgesproken voor misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden.

Voortvluchtig
Een aantal van de beklaagden is trouwens nog voortvluchtig. Vooral het feit dat de Soedanese president Omar al-Bashir nog steeds aan de macht is en vrij naar landen als Kenia, Zuid-Afrika en China kan reizen, wordt gezien als een aanfluiting voor de autoriteit van het Strafhof. Ook de trieste vaststelling dat slachtoffers van veroordeelden om bureaucratische redenen amper schadevergoeding ontvingen, ondergraaft het imago.

Volgens ex-rechter Chris Van den Wyngaert is het werk van het Strafhof te belangrijk om te mislukken. ‘Maar het Strafhof moet zich herpakken en lessen trekken uit het verleden.’ Gebeurt dat niet, dan zouden ICC-tegenstanders als de Amerikaanse nationale veiligheidsadviseur John Bolton weleens gelijk kunnen krijgen. Die verklaarde onlangs dat het ICC zichzelf ten gronde zal richten en dat de VS niets hoeven te ondernemen om ervan af te raken. ‘Wij laten het Internationaal Strafhof op eigen krachten sterven.’

In het nieuws