De man van de ombuigingen

Er is weinig dat Wilfried Martens niet heeft meegemaakt, in zijn privéleven en in zijn politieke leven. Het ongeval van zijn zoon dat hij - vond hij - urenlang moest verbijten om de lopende onderhandelingen niet af te breken; een open hartoperatie als premier; regeringen die om de paar maanden vielen, stakende ministers, een koning die even niet in staat was te regeren, een devaluatie, een tweede en een derde staatshervorming en ook een tweede en een derde relatie.

Velen vergeten ook dat hij drie loopbanen had. Na zijn federale loopbaan van tien regeringen, begon hij een haast even intense Europese loopbaan. Maar voordien had hij nog een loopbaan gehad, één als activist: een activist die Expo 58 op stelten zette wegens te weinig Nederlands, één die met de Vlaamse Volksbeweging de Marsen op Brussel organiseerde, die één die op een Vlaamse manifestatie ooit uitriep: ‘Geef ons wapens, wij willen de revolutie’, al ontkende hij zelf dat gezegd te hebben.

Ombuigingen

Maar wat hem het meest kenmerkt, zijn de ombuigingen. Hij is de regeringsleider geweest die zeer grondige ombuigingen van België realiseerde, al moest hij daarvoor soms ook zijn eigen mening wat ombuigen.

Drie ombuigingen staan centraal.

De eerste staatshervorming had Vlaanderen een beetje culturele autonomie gegeven en Wallonië een beetje economische autonomie. Martens realiseerde de tweede en derde staatshervorming die België echt ombogen van een centralistische staat naar een federale staat. Toen hij aantrad, was het woord federalisme nog taboe. Na hem stond het woord in artikel één van de grondwet.

Zijn tien regeringen bogen de mega-budgettaire tekorten van de jaren zeventig om, nog niet naar overschotten, dat niet, maar ze werden door de eerste echte harde bezuinigingen die dit land doorvoerde, wel flink kleiner. De staatschuld verkleinen, kon hij ook nog niet realiseren, maar de jarenlange supersnelle stijging ervan kon hij wel ombuigen.

België, de economisch-zieke man van Europa, kreeg onder zijn regeringen een ‘herstelbeleid’ dat vrij snel zijn vruchten afwierp zodat eind de jaren tachtig een ‘retour du coeur’ mogelijk was. Daarvoor waren nodig: een devaluatie, een stel indexsprongen, arbeidsduurverminderingen, een derde arbeidscircuit en de wet Cooreman-De Clercq die de Belgen naar de beurs deed terugkeren.