Foto: ID/ photo agency

Bedrijfswagen geven we niet graag af

Zelfs als er geld geboden wordt, houdt de Belg vast aan zijn bedrijfswagen. ‘De overheid kan alleen proberen te voorkomen dat die groep groter wordt.’

Wie een bedrijfswagen heeft, is daaraan verknocht.  Zelfs al worden er alternatieven aangeboden, blijven negen op de tien bezitters aan die auto ­vasthouden. 

Dat blijkt uit een onderzoek van hr-dienstverlener SD Worx en ­Vacature.com bij 2.000 werknemers en 500 werkgevers. Iets meer dan de helft van de ondervraagde pendelaars (51,8 procent) is geïnteresseerd in een mobiliteitsbudget. Dat is een pakket vervoersalternatieven dat een werkgever kan aanbieden.

Wie een bedrijfswagen heeft, toont daar veel  minder animo voor (26,7 procent). Van hen is maar 5 procent bereid de bedrijfswagen in te  ruilen voor een ander vervoersmiddel. 61 procent kiest voor dezelfde bedrijfswagen, 20 procent voor een kleiner model zodat er budget overblijft voor andere vervoersmiddelen. 9 procent overweegt een bedrijfswagen van een hogere categorie te kiezen en is bereid daarvoor andere voordelen op te geven.

Het wetsontwerp van de federale regering over de mobiliteitsvergoeding is zopas ingediend. Dat houdt in dat je een bedrijfs­wagen kunt inruilen voor een geldbedrag (‘cash for car’). Het mobiliteitsbudget, dat focust op een keuze aan vervoermiddelen, zit nog niet in de regelgeving.

Voor ‘cash for car’ bestaat er bij de werknemers met een bedrijfswagen nog minder enthousiasme. Slechts 16 procent voelt er iets voor. Van wie de bedrijfswagen wil afstaan, zou de meerderheid – 46 procent – voor het woon-werktraject de eigen auto gebruiken.  42 procent zou de fiets nemen, 29 procent het openbaar vervoer. Een op de vijf kiest voor een combinatie van vervoersmiddelen.

Buiten de stad wonen

Die resultaten verrassen onderzoeker Toon Zijlstra niet. Voor zijn doctoraal proefschrift aan de Universiteit Antwerpen bestudeerde hij het potentieel van een mobiliteitsbudget. ‘Mijn conclusie was dat mensen hun bedrijfswagen niet snel opgeven. Daar zijn goeie verklaringen voor. Het gaat vaak om mensen die welbewust voor een bepaalde baan gekozen hebben, net omdat er een wagen aan verbonden was. Ze hebben ook een positieve houding tegenover auto’s en vermijden andere vormen van vervoer.’

Bovendien zijn bedrijfswagenrijders doorgaans hogeropgeleiden: die leggen een langere woon-werkafstand af dan gemiddeld. Hoe groter de afstand, hoe minder een alternatief als de fiets aantrekkelijk is. 

‘Deze mensen gaan ook vaak buiten de stad wonen, waar de ­auto de enige optie is. Privé leggen ze met die wagen van de zaak zes- tot zevenduizend kilometer meer af dan Belgen die er geen hebben. Die ritten geven  ze evenmin graag op.’

Het zijn weinig bemoedigende vaststellingen als we het aantal (bedrijfs)wagens willen terugdringen  voor meer leefbaarheid, minder files en minder uitstoot. ‘De groep bedrijfswagengebruikers kleiner maken, wordt heel moeilijk want niemand geeft graag iets af, en het is lastig om gewoonten te veranderen. Wel kan het beleid ervoor instaan dat die groep niet groter wordt. Het beleid moet dan de deuren naar alternatieven – fiets, openbaar vervoer – openhouden en die zeker niet afbouwen. Het wordt een werk van lange adem.’

Volgens Zijlstra moeten we het effect van een mobiliteitsbudget niet overschatten. ‘In het meest optimistische scenario, als tien procent van de pendelaars de bedrijfswagen opgeeft, zal het aantal voertuigen in de spits met hooguit één procent afnemen.’