‘We zullen nooit weten hoeveel mensen psychisch gekwetst waren’

Een jaar na de aanslagen in Zaventem en Maalbeek blijft de herinnering voor vele betrokkenen pijnlijk en soms traumatisch. De psycho-sociale opvolging op lange termijn laat veel te wensen over.
Zaterdag in dS Weekblad: Peter Vantyghem sprak met slachtoffers over hun trauma. ‘Twee weken na de aanslag ging ik skiën, er ging een brandalarm af, ik kroop meteen onder de tafel. Ik heb een kogelvrij vest gekocht omdat ik me niet veilig voelde op straat.'

De medische hulpverlening meteen na de aanslagen verliep bijzonder goed en vlot, zegt minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD). In die acute fase werden fysieke slachtoffers verzorgd en konden vele betrokkenen rekenen op een luisterend oor om de ergste emoties te ventileren.

Daarna verliep het moeizamer. Uit gesprekken van De Standaard (DSWeekblad 18/3) met meerdere verantwoordelijken blijkt dat mogelijke patiënten de weg niet vonden naar de juiste hulp, dat verschillende hulpdiensten niet voldoende bemand zijn en niet genoeg samenwerken, en dat er in het land niet genoeg psychotraumatische expertise is voor verdere opvang op langere termijn.

Geestelijke kwetsuren  vereisen voor een aantal patiënten nochtans langere nazorg. Academici ramen doorgaans dat tien procent van de betrokkenen bij een groot incident post-traumatische stress (PTSS) ontwikkelt. ‘Maar wanneer er een duidelijke agressor is, kan dat hoger liggen,’ aldus de Nederlandse psychotraumatoloog Rolf Kleber. ‘Trouwens, ook wie geen PTSS heeft, houdt nare gedachten over.’

Het herstel  wordt bovendien bemoeilijkt door het permanente gevoel van onveiligheid dat de militaire aanwezigheid in ons  straatbeeld opwekt, en door een mogelijke ‘heractualisatie’ als gevolg van de latere aanslagen en politieacties in binnen- en buitenland. Volgens psychiater Kirsten Catthoor wordt de samenleving kwetsbaarder ‘omdat voor fragiele mensen elke trigger een risicofactor is.’

Open incidenten

‘De aanslagen waren ‘open incidenten’: veel mensen zijn na het gebeuren meteen naar huis of naar het werk  gegaan, zelfs met kwetsuren. Zij meldden zich dagen, weken later met vragen, problemen. Ze wisten vaak niet waarheen. Sommigen  hebben zich zelfs nooit gemeld’, zegt Marcel Van der Auwera, diensthoofd dringende hulpverlening van de FOD Volksgezondheid.

Dat de hulpverlening in de eerste dagen federaal gestuurd wordt, en daarna overgaat naar gewesten en gemeenschappen, wordt als een probleem beschouwd. Van der Auwera: ‘We hebben contacten, maar er is geen gestructureerd overleg’. Crisispsycholoog Erik De Soir (Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie) ziet vooral een vermenigvuldiging van initiatieven. Hij noemt de ziekenhuizen  ‘kleine keizerrijkjes die vaak geen inmenging van buitenaf willen, en waar veel te weinig ervaring met dit soort trauma-situaties is’.

Een éénduidige hulpverlening aan alle getroffenen wordt door dat alles erg moeilijk.

‘De overdracht moet beter’, bevestigt Maggie De Block alvast. Vorige week hebben beide partijen dus voor het eerst samengezeten. Bij de FOD Volksgezondheid worden vijf nieuwe medewerkers aangeworven om lokale psychosociale netwerken op te starten.

De Centra voor Geestelijke Gezondheid, die kunnen instaan voor psychiatrische hulp in Vlaanderen en Brussel, kampen met een tekort aan capaciteit en zorgtijd’, zegt stafmedewerker Ann Moens van Zorgnet-Icuro. ‘Mogelijke slachtoffers die pas later hulp zoeken, komen terecht op de wachtlijsten. Er is een verdubbeling nodig van de ambulante psychiatrische gezondheidszorg’.

Hallucinant

Maar er is meer nodig om een volledig zicht te krijgen op de psychologische naschok van de aanslagen, of van andere grote incidenten in België.

‘Epidemologisch wordt er niet gemonitord. Wie zal over tien jaar de link leggen naar deze aanslagen?’, vraagt Van der Auwera zich af. ‘Het is hallucinant dat we nooit zullen weten  hoeveel mensen er betrokken en hoeveel mensen er psychologisch gekwetst waren’.

In Nederland werd na de vuurwerkramp in Enschede (2000) het kenniscentrum Impact opgestart. ‘We hebben een aantal slachtoffers van Enschede  acht jaar lang op verschillende momenten gevolgd’, zegt Rolf Kleber. ‘Een longitudinaal onderzoek van psychische  kwetsuren is veel zinvoller.’

Uit een nieuw rapport blijkt intussen dat 20 procent van de betrokkenen bij recente aanslagen in Frankrijk na zes maanden aan PTSS lijdt, en 30 procent angstgevoelens heeft. 1000 slachtoffers van de Parijse aanslagen zullen tien jaar lang gevolgd worden. Ook in Noorwegen werden na het bloedbad in Oslo en Utoya in 2011 meerdere grote en langlopende studies gemaakt over chronische aandoeningen als PTSS en depressie.

Om te kunnen leren van onze fouten, ontbreken in België meerdere ‘instrumenten’. Er is geen officieel rapport van de hele hulpverlening. Geen universitaire onderzoeksgroep die vaste gegevens krijgt. Geen onderzoekscel die naar punten van verbetering zoekt. Geen overkoepelend kenniscentrum. En pas dit jaar is aan de KULeuven  een opleiding gestart voor psychotraumatologie.

Wel heeft de Hoge Gezondheidsraad zopas een werkgroep opgericht om de psychologische zorg na aanslagen te evalueren. De ministers De Block en Vandeput (Defensie) zorgen ervoor dat de psychologische begeleiding voor directe en indirecte slachtoffers zal worden terugbetaald. En ook zopas werden de eerste stappen gezet voor een samenwerking met Spanje, Frankrijk en Hongarije die moet leiden tot een betere begeleiding van slachtoffers.

Slachtoffers kunnen ook nu nog terecht bij de Centra Algemeen Welzijnswerk via het nummer 078/150300 of www.caw.be
Voor dS Weekblad sprak Peter Vantyghem met slachtoffers over hun trauma. ‘Twee weken na de aanslag ging ik skiën, er ging een brandalarm af, ik kroop meteen onder de tafel. Ik heb een kogelvrij vest gekocht omdat ik me niet veilig voelde op straat.'